De vele facetten van New York
Hallo allemaal,
Hier het vervolg van onze reisimpressies.
In de taxi vanaf de luchthaven vertelt een tweede generatie Pakistaanse jongen over zijn kansen op een hogere ingenieursopleiding. Hij taxiet enkele dagen per week naast de studie. Hij voelt zich thuis in Brooklyn, maar voelt zich primair Pakistaans.
We installeren ons in het voor New Yorkse begrippen ruime appartement in de West Village en de winkels worden verkend. In tegenstelling tot het duidelijke rasterwerk van Avenues en Streets draagt onze wijk de sporen van de Nederlanders: bochtige straten. Je waant je soms meer in een Dickens omgeving door de oude huizen, zeker als we in donker thuiskomen. Veel industriële gebouwen om ons heen zijn of worden omgetoverd tot wooncomplex. Spaans is de hoofdtaal van de bouwvakkers. Kinderen worden naar school gebracht en spelen en voetballen in afgeschermde speelvelden. We begrijpen dat de bouw booming is in de stad. Soms moeten mensen gedwongen verhuizen omdat er gerenoveerd wordt. Een bijzondere regel is de verplichte toewijzing en een percentage van soms zeer luxe appartementen aan sociaal zwakkeren.
Het eerste weekend: gezellige straatverkoop waar we twee bakelieten servetringen kopen. Zaterdagavond zitten we in Carnegie Hall: last minute tickets blijken voor een benefiet voor de dak- en thuislozen. Een mooi bont programma van (musical)artiesten en na de pauze een Requiem voor mensen die op straat zijn gestorven (Jonathon Welch). Een Australisch initiatief dat met het enorme koor van voormalige daklozen de wereld rondreist. In het weekend is het gezellig druk: jong en oud vermaakt zich in het Washington Square Park. Rondom het park brengt ook de New York University een gezellige drukte mee. Na een bezoekje aan de Brooklyn Flea lopen we langs de prachtige herenhuizen in de wijk Bedfort/Stuyvesant (ja van Peter). Gemixt: soms volledig Afro-Amerikaans, zoals McDonalds, de enige ‘koffieshop’. Een paar straten verder gaat een kerk uit en horen we Frans en wat later Creools blijktte zijn. Een swingend sprekende geestelijke en een kerkganger leggen uit dat het de Haïtiaanse gemeenschap in Brooklyn is. Twee blokken verder zijn we in een wat behoudende islamitische wijk: gesluierde vrouwen en Arabische winkels.
Het moest er voor Wim eens van komen: we lopen rond het symbool van de stad, het vrijheidsbeeld en bezoeken het eiland waar nieuwkomers werden geïnterneerd. Onroerend zijn de verhalen van immigranten die de tirannie in Europa ontvluchtten en vaak moesten huilen als deze dame langzaam uit de mist zichtbaar werd. Amerika had handen nodig en ‘slechts’ 2% van immigranten werd teruggestuurd. Het beeld blijft een hoogstandje: de techniek van Gustaf Eiffel gecombineerd met het ontwerp van de Franse architect Bartholdi. Koperen platen met een dikte van twee munten gemonteerd op een stalen frame: het staat sinds 1884. De vrouw met de kwieke tred is een cadeau van Franse initiatiefnemers die de Amerikaanse democratie bewonderden. De federale staat Amerika was toen 100 jaar oud.
Een andere wandeling: door Chinatown: verse vis, dammende ouderen, lekkere lunch. Dan via Little Italy naar de fameuze cheesecakes van Eileen (Cleveland Place; met dank aan de gids van Willem Post).
Twee indrukwekkende waterpartijen die rusten op de voormalige fundamenten markeren de oude ‘Twin Towers’. Het museum dat de terroristische aanslag van 11 september 2001 herdenkt is indrukwekkend ingetogen. Enkele delen van de zware staalconstructie zijn niet tot composiet versmolten in de verzengende hitte. In de focus op de symbolen van de westerse wereld dreigde het persoonlijke leed van de meer dan 3000 slachtoffers en nabestaanden te vervagen. Kunstenaars belichten met name deze tragedie.
Vanaf een bankje op Roosevelt Island (tussen Manhattan en Queens) zien we steeds meer lichtjes aan gaan. De avond valt over de stad en het hoofdkwartier van de Verenigde Naties. Een metrostation verder en we zitten aan de Zuid-Amerikaanse pot in een wat rommelig wijkje.
Tijd om de stad even uit te gaan. De ‘Metro North’ brengt ons via de oever van de Hudson naar Sleepy Hollow. Een interessante rondleiding door het voormalige woonhuis van de Rockefellers. Vrij klein (rijkdom laat je niet te veel zien), maar prachtig met een bijzondere kunstcollectie van de laatste telg die er woonde. Een mooi voorbeeld zijn de wandkleden die door een samenwerking van Picasso zijn gemaakt van zijn schilderijen. Bij het oude Nederlandse kerkje lopen we langs grafstenen met Nederlandse namen die vaak een rol in de vrijheidsoorlog hebben gespeeld. Groot is het Rockefeller Mausoleum en zo bescheiden het Keltische kruis van het graf van Andrew Carnegie, de man die alles wat hij verdiende voor zijn overlijden weggaf. Ook de Rockefellers deden veel aan liefdadigheid en stonden aan de basis van het Museum of Modern Art.
Bijzonder is het complex van Columbia University in de drukke stad. Een oase van rust met een rijke geschiedenis (v.a. de 18e eeuw). Studenten hebben yogales op het gazon. Ondanks het kaartje blijven wij vanwege de drukte met vele anderen buiten staan bij de lezing van Joseph Stiglitz e.a. over Europa en de toekomt van de Euro (zijn recente boek). Troost: de lezing wordt integraal op internet gezet.
Soms oubollig, soms spectaculair: het enorme Museum of Natural History. De Canadeze wezen ons er al op: veel van de vondsten in het Dinosaur Provincial Park liggen in New York. De collectie van prehistorische dieren is fantastisch. Hier zien we de grootste dino ter wereld, de Titanosaurus. Oude maar prachtige diorama’s laten dieren in hun natuurlijke omgeving zien. Ook nog een kleine afdeling Haida kunst bekeken. Met een goede vriend van Bas thuis gegeten en een bezoekje gebracht aan het nieuwe Whitney Museum of American Art. Heel afwisselend soms mooi, soms interessant. Schrikken bij een dame met hond. Echt: haar boezem bewoog niet.
Reizigersgroet,
Wim en Koen
Opgestuwde bergen en uitgesleten dalen
Hallo allemaal,
Hier het vervolg van onze reisimpressies.
De oude weg van Jasper naar Banff is smal en kronkelig. We hebben de prachtige herten die we tegenkwamen nog op het netvlies. Het is bronstijd en wat zaten ze mooi te wezen in het gele grasland. Spitse bergtoppen, een oude vulkaankegel en prachtige vergezichten. Pelshandelaren en andere avonturiers reisden voor de aanleg van de spoorlijn van ijkpunt naar ijkpunt. Bij de samenvloeiing van de rivieren de Whirlpool en Athabasca was een doorwaadbare plaats. Een korte wandeling en we staan voor de Sunwapta watervallen. De bordjes met jaartallen maken duidelijk hoezeer de Athabasca gletsjer zich al heeft teruggetrokken. Het blijft een imposant gezicht: een ijsmassa die tot aan de horizon strekt.
Het landschap wordt steeds kleurrijker door de geelkleurende bomen die scherp afsteken tegen het donkere naaldwoud. Op de vochtige grond de mooiste bloemen. Veranderlijk weer: van de zon in een stevige sneeuwbui. We waren al enigszins gewaarschuwd: van noord naar zuid wordt het drukker en drukker in de parken. Gekte bij Lake Louise, filerijden voor een parkeerplaats op maandagochtend. Een groep Chinezen staan naar elkaar te schreeuwen bij het fotograferen. Een duidelijke blik van Wim is voldoende: enige rust. Lake Moraine is een stuk rustiger en minstens zo mooi. Het lijkt er wel op dat het stijgende bezoekersaantal vraagt om maatregelen in dit kwetsbare natuurpark.
Weg van de drukte: met de kabelbaan een skigebied in met mooi zicht op Lake Louise. Met enige aarzeling gaat we het hek door naar het berengebied voor een wandeling: Jurassic Park? De aangegeven wandeling is steil en hijgerig op 2200 m hoogte maar levert mooie vergezichten op. Een ander ijkpunt van vroege reizigers waren de warmwaterbronnen bij Banff. We komen bij in het publieke bad van 40 graden, dat al ruim 100 jaar oud is.
Een verrassing als we de gordijnen open schuiven: sneeuw. Het weer blijkt ook hier records te breken. Vervreemdend is het wel, gisteravond hadden we ook nog de open haard aan in het appartementje. ‘Gelukkig’ lezen we dat het in New York 30 graden is. Buiten Banff Park zijn de Bow Valley en het Kananaskis Park oases van rust op weg naar Calgary. Een bakelieten klokje verder en we rijden de 180 km naar Brooks, de uitvalsbasis voor het Dinopark. Onderweg is er niets aders dan eindeloze graanvelden en wat kleine jaknikkers. Een pizza in een slaperig stadje.
De volgende ochtend rijden we een half uur naar het Dinosaur Provincial Park. Tijdens het bezoek, voor een deel met een busje, door gesloten gebied, wordt enigszins voorstelbaar wat zich 75 miljoen jaar geleden heeft afgespeeld. Dit gebied, ten oosten van Calgary, lag aan de kust van een binnenzee en was bedekt met rijk regenwoud. Meer dan 150 soorten dinosaurussen en reptielen liepen en vlogen er rond. Een tropische storm met geweldige overstromingen roeide de dierenbevolking uit. Kadavers werden bedolven onder rivierslib en een ijskap schoof er overheen. Toen het ijs zo’n 15.000 jaar geleden begon te smelten hebben gletsjers en rivieren diepe sporen in het landschap getrokken. Delen van harde steen bleven in takt, het zachtere steen werd uitgespoeld. Een proces dat nu ook nog door de regen en de rivier wordt voortgezet. Niet alleen ontstonden hierdoor fascinerende vormen met o.a. hoodoo’s (pilaren van zandsteen met een kap van harde steen), maar ook hele skeletten van dino’s en andere dieren werden zichtbaar. Met meer dan 150 complete skeletten spant dit park de kroon in de wereld. Nog steeds worden skeletten gevonden. Natuurlijk denken we even aan de Tyrannosaurus in Leiden waaraan we nog een botsplinter hebben bijgedragen. Koens gebit valt in het niet bij een tand van deze dino. De combinatie van de prehistorische vindplaats met een uniek kwetsbaar natuurgebied rondom de rivier heeft het park de status van UNESCO werelderfgoed opgeleverd. In de avondzon maken we een wandeling, langs oude katoenbomen en zien een grote Eland die na wat rondkijken in het struikgewas verdwijnt. Vogels te over. Een lange rit terug naar Calgary. In de ochtend leveren we de jeep met weemoed in: samen hebben we veel beleefd.
Een overstap in Toronto en een paar uur verder stappen we in met gemengde gevoelens in de taxi op het vliegveld La Guardia in Flushing (New York). Hoe zullen we de overgang van stilte en slaperige dorpen en steden naar de stad die nooit slaapt ervaren?
Reizigersgroet,
Wim en Koen
Van de Pacific naar de Rockies
Hallo allemaal,
Hier het vervolg van onze reisimpressies.
Tot onze verrassing rijden we de zelfde luxe ferry op die ons van Port Hardy naar Prince Rupert heeft gebracht. Een enorm schip voor een handjevol mensen. Voor de vracht is de ferry een lifeline. Het grote schip wordt ingezet tijdens de winterdienstregeling die gisteren is begonnen. Tijdens Oceaanstormen denderen de golven de ondiepe straat binnen, een natuurgeweld dat tot zeer hoge golven kan leiden. Alleen de grote ferry kan deze veilig nemen. Auto’s worden dan met kettingen vastgezet.
Het klinkt wat vreemd, maar het handjevol mensen lijkt een grote familie. In onze stille hoek blijkt ook een Mennonietengezin met vier jonge meisjes te zijn neergestreken. Acht jaar geleden naar Hadia Gwaii gekomen en onderweg voor een vijfdaagse reis naar Tennessee voor familiebezoek. Een gesprek over de indrukwekkende natuur leidt al snel tot de zin van het bestaan. Voor de jonge vader geen vraag.
Rond Port Clemens blijkt een gemeenschap Mennonieten te wonen, ook de boer die we eerder spraken maakt er deel van uit. Een echtpaar vraagt naar onze belevingen. Ze zijn verre buren van het gezin. Hun huis wordt binnenkort verbouwd door het gezinshoofd. Haida vervaagt, we gaan denken aan het vervolg van de reis.
Prince Rupert is verrassend leuk: Winkelstraat, museum, kleurrijke haven. We hebben een geriefelijk appartementje. Als Wim ’s ochtend vroeg naar de kapper gaat komt hij een jonge elk tegen. Kappergesprek gaat ook over het mysterieuze van Haida en het komende bezoek van William en Kate aan Prince Rupert en Haida: men kijkt er naar uit. ’s Middags een boeiende rondleiding door een oud medewerkster door de houten gebouwen van de North Pacific Cannery. Eens kende de regio tientallen bedrijven die de zalm zo van de vangst inblikte. Chinese, Japanse en Indianen werkers trokken vaak van bedrijf naar bedrijf, afhankelijk van het vangstseizoen.
In mist en regen onderweg langs de Skeena rivier. Mooie grijze vergezichten en watervallen. In Terrace drinken we koffie in een hippe tent. Bewonderenswaardig is de hangbrug in Kitwanga over het ravijn waardoor de rivier stroomt. De brug ligt in een first nation reservaat. De vroegste brug van de indianen bestond uit aan elkaar gesjorde boomstammen! Een uitstapje naar een pont die aan staalkabels hangt vanwege de sterke stroming brengt ons oog in oog met de tweede beer. Die maakt snel rechtsomkeert.
Een motelovernachting en verder via Prince George richting Mount Robson National Park. De regio is verlaten. We snakken naar koffie en zetten die onderweg maar zelf op de benzinebrander. Een oude baas legt op de veranda van het oude stationnetje van McBride uit dat de passagierstrein drie maal in de week stopt. We doen inkopen voor de maaltijden in de cabin in het Park. Een avondwandeling brengt ons naar een prachtige stroomversnelling/waterval. We zien zalmen omhoog springen.
Toen we de bocht om kwamen en Mount Robson (met bijna 4000 meter de hoogste berg van de Rocky Mountains) in alle pracht en grootsheid in zicht kwam kon Koen zijn emotiies bijna niet beheersen. We maken een wandeling van ruim 20 km langs een woeste rivier met prachtige vergezichten en spiegelende meren. Het ‘wildlife’ bestaat uit rondbuikige eekhoorns. Het moet een paradijs zijn: meer eikels dan je op kunt. Wij verorberen een stevige tortilla om de verbrande energie weer aan te vullen, weggespoeld met Canadese wijn. Bij het krieken van de dag op en wandelen langs een waterval. Witte wolken hebben hun armen om Mount Robson geslagen. Mooi, maar nergens iets van wildlife te bekennen.
Dan rijden we Jasper National Park binnen. Op uitstekend advies van een parkwacht staan we oog in oog met de hoogste berg van Jasper, Mount Edith Cavell. Een deel van de gletsjer ligt als een dikke klodder room tegen de berg. De rest dekt een groot deel van het gletsjermeer af. Een broodje en stuk tortilla later ontvouwd zich een heel ander natuurfenomeen. Wat begint als een liefelijk stroompje eindigt tijdens een wandeling van nauwelijks 10 minuten in een nauwe canyon van bijna 50 m. diep: noeste arbeid van 1000 jaar. In Jasper geen bed meer vrij, dus rijden we naar Hinton. De parkwacht had nog een verrassing: In het begin van de avond staan we oog in oog met een bevervolk dat hier al 25 jaar een burcht heeft.
Morgen over de Icefield Parkway naar Banff National Park.
Reizigersgroet,
Wim en Koen
Alles is afhankelijk van al het andere
Hallo allemaal,
Hier het vervolg van onze reisimpressies.
Alles is afhankelijk van al het andere.
In de ochtendnevel brengt de kleine ferry ons naar Moresby Island. Een forse rit over een logging road naar het beginkamp waar we ons in de oliekleding hijsen. Vijf lagen er onder: we scheren over dampig water van acht graden. Een bonte mengeling van tien mensen: VS, Australië, Canada en Nederland. Thomas, rond de 25, is onze stuurman en begeleider. Hij heeft milieukunde gedaan. Zoals we bijna blindelings vertrouwen in de maten van de Vrouwe Fortuna hebben, is dit ook bij hem het geval. Hij doet deze uitgebreide ‘expeditie’ voor de tweede keer en heeft zijn vriendin Lally meegenomen.
We varen een uniek gebied binnen: Gwaii Haanas National Reserve. De totstandkoming van het park is in 1980 afgedwongen na protesten tegen ongebreidelde houtkap. Ruim 5000 km2 natuur met hier en daar sporen van industriële activiteit. Eeuwenoude bossen, bomen versierd met slingers van mos, een ondergrond die veert als een goede matras. Het marine milieu heeft verborgen schatten die soms zichtbaar worden. We zien de oceaan orca (killerwhale; een heel sociaal dier), de Bultrug walvis, zeehonden, zeeleeuwen, de papagaaiduiker en vele andere vogel,s waaronder de zeearend. Er zijn strenge regels voor de minimale afstand tot de dieren. De getijdezone (7 meter verval) barst van het leven. De poelen herbergen de mooiste anemonen. Mosselen waarbij de Zeeuwse variant een lilliputter is. Dit alles in een omgeving van honderden eilanden, bergen en watervallen. Eten doen we op verlaten stranden: een strook kiezel of zand aan de rand van het regenwoud.
Overnachten in een eenvoudig drijvend kamp. De lagen kleding en de ijsmuts zijn geen luxe en dan boffen we nog: weinig regen!
De overblijfselen van een enkele inblikfabriek of houtkap zijn in de oerbossen overwoekerd door de natuur. In WO II bleek een grote behoefte aan licht sterk en recht hout voor de Haviland Mosquito bommenwerper. In allerijl bracht men vaak verouderd materieel naar enkele eilanden, om het even snel weer achter te laten na de oorlog. Een voormalig ‘Whaling station’ is onderkomen voor de tweede nacht. Duizenden walvissen werden hier gekookt tot traan, mest en andere producten tot Canada in 1964 het Walvisverdrag tekende. Kurt en Susan zijn twee bewoners van de kleine groep die daarna op het verlaten eiland neerstreek. Ze zijn gebiologeerd door de natuur in één van de laatste bijna ongerepte gebieden. Susan kookt een fantastische zalmmaaltijd, Kurt blijkt een goede muzikant. Het ‘outhouse’ is het gebruikelijke toilet, het douchewater houtgestookt. In het eerste ochtendlicht staan we buiten. Op de drooggevallen plaat liggen nog botten van walvissen. In de ochtendstilte is de nevelfontijn van een walvis hoorbaar die door de zeestraat zwemt. Soms worden dingen beter.
Na het ontbijt van stevige pannenkoeken (meel gemalen met een hometrainer) varen we vanaf het station de deining van de open oceaan op naar S’Gang Gwaay (werelderfgoed Unesco). De eeuwenoude bomen zijn getuige geweest van de geschiedenis van de Haida bewoners. Zo’n 15 duizend jaar bewoonden ze de eilanden in hun longhouses en waren ze kunstenaars in hun enorme snelle kano’s. Na de komst van de rode ceder was deze boom de hofleverancier. Er werden huizen, kano’s, manden (bast) en kleding van gemaakt. Voor de Haida was hun geest soms mens, soms dier. Een wereld waarin alles afhankelijk is van de andere dingen. De clans zijn verbonden aan de raaf en de adelaar die in de kunstig gesneden totempalen zichtbaar zijn die ooit de ingang van de longhouses markeerden. Wij zien de overwoekerde dikke balken van overblijfselen van de longhouses. We bewonderen de begrafenispalen waarin de lichamen na enkele jaren van composten bijeengebonden werden bijgezet. Het cederhout vergaat langzamerhand. Een enkele gedachtenispaal staat nog overeind.
Wat gebeurde met de Haida’s? In de late 18e eeuw voer men met de kano’s langs de Canadese en Amerikaanse kust. Zelf Japanse sporen zijn gevonden. Ontdekkingsreizigers meldden zich en zagen de prachtige pelsmantels van de chiefs. In dertig jaar werden de Haida’s rijk, kregen alcohol, vuurwapens en ziektes en was er geen zeeotter meer over. Onvoorstelbaar is het leed eind 19e eeuw: 90% sterft tijdens een pokkenepidemie. Overgebleven Haida worden, gestimuleerd door de missie, overgebracht naar het noordeiland. Een niet afgemaakte kano in het regenwoud getuigt van het drama dat zich afspeelde. Hun prachtige huizen, palen, graven worden in de periode tot 1950 (leeg)geroofd. De laatste 50 jaar heeft hun cultuur weer erkenning gekregen en keren hun kunstschatten en geroofde graven van voorouders langzaam terug. Een gehavend volk dat zich maar langzaam herstelt. Nu zijn er Haidawachten die in de zomer de kleine groep bezoekers begeleidt.
Zo zwerven we weer terug naar het Noorden langs verlaten Haida dorpen. De oliepakken zijn soms zowel voor het zoute als zoete water nodig. Als we vier dagen later van de ferry komen en in de auto stappen lijkt het een onwerkelijke (vermoeiende) belevenis.
Na het uitslapen toetsen we onze kennis in het Haidamuseum in Skidegate. Later op de dag rijden we naar het Haidadorp Masset in het Noorden. De sleutel van de hotelkamer krijgen we van een dame die in 1980 als Vietnamese bootvluchteling naar Winnipeg is gekomen. Met haar Duitse man runt ze het hotel. De Haidakunst in de vorm van houtsnijwerk, uitgesneden argelliet en abstracte dierenverbeeldingen is gewild. Als we door het, soms wat verpauperde dorp rijden zien we ineens beitelende mannen. Onder leiding van een Haida kunstenaar wordt gewerkt aan een massieve moderne totempaal. Bijna iedereen groet elkaar, ook in de auto. Niets kan de mengeling van culturen beter weergeven dan de totempaal voor het kerkje. Tow Hill speelt een belangrijke rol in de ‘storytelling’ van de Haida. Vanaf de berg zien we de lange verlaten zandstranden. Onze zoektocht naar koffie is lastig maar eindigt verrassend in een oude schoolbus die in het bos is geparkeerd: vers gebak en dampende koffie.
In de middagzon slenteren we over de steigers van de vissershaven. De naam op de spiegel van de ‘Spirit of Haida’ spiegelt in het water. In een bonte indrukwekkende mengeling van indringende natuur en cultuur hebben we een prachtige inkijk in deze ‘Spirit’ gekregen!
Reizigersgroet,
Wim en Koen
Twee dagen varen: Haida Gwaii
Hallo allemaal,
Hier het vervolg van onze reisimpressies.
In de ochtendzon eerst een wandeling door het Quatsino River parkje. De ‘directrice’ van het Port Hardy Museum suggereerde een paar plaatsen waar regelmatig beren worden gezien. Mooie wandeling; geen beren, wel een verse hoop, te herkennen aan de bessen die ze nu nog eten, voordat de zalmen arriveren. De weg naar Cape Scott voert eerst naar Holberg. Soms is de onverharde weg een pad en we hebben geluk: het laatste konvooi voor de komende uren wordt langs wegreparaties geleid. Vijf uur vanmiddag weer open! In een flits zien we de ‘shoe tree’ waarin hikers door Cape Scott schoenen in hebben gehangen. Vroeger voeren de kapiteins de Quatsino Sound en verder de Holberg inlet in. Een enorme zeearm. Boterhammen en koffie aan het einde van de inlet en heerlijke soep in de Ibis pub. Een soort oase in een ruig gebied. Zo’n 70 km hobbelen wordt beloond. We wandelen we over een deel van de trail over de Noordkaap. Geen beer-, maar wolfwaarschuwing: hierbij wel wegjagen en terugvechten als je wordt aangevallen. De beren juist rustig toespreken, je met armen groter maken en rustig de afstand vergroten. Als het dichte groene gordijn van bomen, struiken en varens langzaam open gaat staan we op een prachtig strand: de St Josef Bay. Pootje baden in de stalende zon. Een enkel tentje aan de rand van het bos, soms een familie met jonge kinderen. Idyllisch. Ook op de meest afgelegen kampeerplaatsen zijn minimale voorzieningen: een eco-wc, picknicktafels en vaak een plek om veilig te stoken. In het begin van de vermoeiende reis terug worden we verrast. Even staat de zwarte beer nieuwsgierig te kijken naar de aankomende auto om daarna in het struikgewas te verdwijnen. Japans eten in het hotel.
De Inside passage loopt van Seattle naar ver in Noordelijk Alaska. Om 5.45 u staan we in de rij, als laatsten; vertrek om 7.30 uur. Een middelgrote ferry maakt de tocht van Port Hardy naar Prince Rupert in 16 uur, slalom om eilanden, nauwe passages, historische vuurtorens en verlaten nederzettingen: schitterend! Als we proberen de brug in te gluren spreekt een scheepsmaat ons aan. Wij dachten: een standje, maar hij suggereerde om aan de purser te vragen of we de brug op mogen. Zo wordt mr Ploeigh omgeroepen en krijgen we een prima uitleg van de eerste stuurman. In die tijd worden er wel vier walvissen en enkele orca’s gespot, die invloed kunnen hebben op de koers. Walvissen slapen soms dicht aan de oppervlakte. Wij zien alles in mooi weer, maar vanaf eind september vaart men vaak in regen, mist en kou. De verbinding is een publieke dienstverlening, vooral om First Nation dorpen op de eilanden te verbinden met het vasteland. Het toerisme op de verbinding neemt toe. Een Canadese vrouw heeft Nederlandse roots in Heerlen en we eten naast een nicht van de eigenaar van de B&B waar we de eerste dagen op het eiland zullen logeren: it’s a small world!
Tegen 23.30 u rijden we van de ferry af naar het dichtbij gelegen hotelletje. Dan ‘fris’ weer op, haverontbijt en weer in de rij voor de 7 uur durende overtocht naar Haida Gwaii. Een kleine ferry, First Nation mensen die naar ‘hun’ eiland gaan, een enkele avonturier met volgestouwde 4x4 en wat ‘gewone’ vakantiegangers. De Inside passage is soms erg nauw maar vaak honderden meters diep; de overtocht naar Haida kent andere uitdagingen. In de laatste ijstijd is dit bekken volgestort en dus soms erg ondiep. Door ondiepte en getijden kunnen hoge golven ontstaan. Al drie uur voor aankomst duiken de bergen van de eilandengroep op. Er staat weinig wind en de zon warmt alles op. Intrek in een kleine B&B in Skidagate en een visdiner in het nabij gelegen Queen Charlotte. Wandelingetje naar het haventje, waar vissers de vangst van sportvissers fileren en daarna opsturen. In een half verstaanbaar dialect krijgen we uitleg: vis moet in ieder geval vers worden gegeten!
‘s Nachts stevig gekletter en in de ochtend regent het nog steeds. Geen lange tocht over logging roads, maar na advies onderweg naar Tlell. We stoppen bij een Haida language school en zien aan de overkant de mengeling van culturen op de begraafplaats: een grafsteen van de Chief en een totempaal. Hiermee wordt vooral de familie uitgebeeld. De palen hebben geen afschrikwekkende of beschermende achtergrond. Een natte wandeling langs de monding van de Tlell rivier. Veel zalmen zijn er nog niet omdat het water laag staat. Zo laag dat locals met hun jeep de bedding oversteken. Aan de rand van het grote Naikoon park slaan we af naar het Mayer meer. Andere auto’s komen we niet tegen. Prachtig verstild en lekkere koffie uit de thermos met koek.
Een jonge boer is vierde generatie Duitse emigrant naar Port Clemens dat in 1908 is gesticht. Hij wacht op zijn vrouw die met de boot van de boerderij moet komen aan de overkant van de Masset Inlet, een enorme zeearm. Hij zit op de praatstoel en wijst op een geavanceerd schip aan de steiger waar het prototype een revolutionaire getijdecentrale wordt gebouwd. De bouwer wordt gesteund door crowdfunding. Zelf heeft de boer pas vorig jaar elektriciteit gekregen: een zelfgeplaatst minirad in een beek. Met 200 watt is hij al heel tevreden. De knop om en er is licht en gasverlichting is maar duur. We praten ook over Nederlandse waterbouw.
Het plaatselijke museumpje is op ‘Labour Day’ wel open. Lijkt op een klein museum van de twintigste eeuw. Naast huishoudelijke apparaten zoals een strijkijzer op petroleum ook bosbouwmechaniek. Op goed advies gaan we toch verder de inlet verkennen en komen op een prachtig uitkijkpunt over de met eb drooggevallen kwelders. Terwijl wij in stilte genieten is een eekhoorn druk bezig met de wintervoorraad. Hij knaagt tientallen ‘sparrenappels’ los hoog in de boom en sjouwt ze later naar zijn hol. Een prachtige verrassende dag ondanks de regen.
Morgen nemen we om 7.45 u de ferry naar Moresby Island en gaan vier dagen met een zodiacboot naar het zuiden, door het Gwaii Haanas park. Geen mobieltjes geen internet, alleen natuur en Haida cultuur.
Reizigersgroet,
Wim en Koen
Het Wilde Westen en het Ruige Noorden
Hallo allemaal,
Hier het vervolg van onze reisimpressies.
Afscheid van het geriefelijke onderkomen in Port Alberni en op weg naar Ucluelet. De wegen worden leger en de landschappen prachtig woest. Rivieren met stroomversnellingen, witte wolkenslierten langs de berghellingen. Ucluelet en Tofino liggen direct aan de noordelijke Stille Zuidzee, de Pacific Rim. Onze kamer kijkt uit over de vissershaven. We lopen een zeer toegankelijk pad en worden verrast op het ene prachtige vergezicht na het andere. Eerst op de ‘Broken Islands Group’, daarna de stranden, rotskust en vuurtoren. Scheepwrakken liggen te over langs de Westkust. De vuurtoren volgt op de ramp. De mix van maritieme activiteit en hippische kunstzinnigheid maakt alles ontspannen.
Ons plan om een dag met een groep te kanoën door het labyrint van eilanden laten we vanwege de slechte weersverwachtingen varen. Met een Zodiac verkennen we nu de eilanden, zien bultrug walvissen, op de oceaandeining Stellar Seals, zeehonden en de eerste Adelaar. De echte regen begint als we de haven weer invaren. Dit schiereiland is het natste van de kust en krijgt zo’n 3 meter water per jaar. Golven zijn soms 7 meter hoog.
In de stromende regen rijden we door Tofino en in een informatiecentrum verdiepen we ons in de leefomstandigheden en cultuur van de Inkwis First Nation bewoners. De bemanning van de cederhouten kano ging eerst in retraite voordat de jacht op een walvis begon. Vrouwen maakten contact met de walvis en verleidden het dier. Een succesvolle jacht eindigde in een dankwoord voor het dier en een klein bacchanaal. Het eiland is al zo’n 6 duizend jaar bewoond.
De terugweg via Port Albini (andere wegen zijn er niet) voert langs watervallen en ‘Cathedral Grove’, een park met Douglas Fir en Ceder bomen van honderden jaren oud en soms 3 meter in doorsnee. Als lunch een smakelijk broodje bij een schitterend vergezicht. De Little Qualicum Falls kunnen we niet links laten liggen. Dan zitten we in Campbell River aan de zelfgemaakte tortilla. Toen we het fornuis uit de zestiger jaren niet aan de praat kregen konden we een andere kamer als keuken gebruiken, inclusief eettafel. Het wordt allemaal minder toeristisch.
Na de geboorte wennen aan het zoute water, duizenden kilometers zwemmen en exact op de geboorteplaats terugkomen, paren en sterven. Het is het lot van Shinook, Shum, Coho, Pink en Sockeye zalmen. Grote kweekprogramma’s brengen de zalmstand steeds verder op peil. En zo legt een oude Canadees die om de dag gaat kijken of de zalm al terug keert uit dat de zalmen waar we in de rivier naar kijken terug keren naar de kwekerij: Fascinerend!
Een prachtige nieuwe hangbrug over de kloof bij de Elk Falls en de monding van de Salmon River: de verrassingen van de natuur houden maar niet op. Onderweg naar Port McNeill doen we ook Telegraph Cove aan. Eens het eindpunt van de eerste telegraaf verbinding. Tot 1979 was men ten Noorden van Cambelll River afhankelijk van ‘Logging roads’ die maar een paar uur per dag gebruikt mochten worden omdat ze eigendom waren van de houtindustrie. Twee otters kapen zalmafval weg voor de neus van een paar meeuwen. Af en toe plenst het, maar als de zon plotseling doorkomt zien we een geweldige dubbele regenboog.
De volgende dag keren we terug in Telegraph Cove. Een kleinschalig toeristisch openluchtmuseum, een soort Marken. Tijdens een vaartocht zien we Resident Orca’s, veel bultrugwalvissen en Stellar Seals in een onwaarschijnlijk mooie omgeving. In de scheepssalon krijgen we onderricht. Het is moeilijk voor te stellen dat de populatie van deze dieren pas in 2002 weer opkrabbelde door strenge beschermingsmaatregelen.
Zo staan we nu aan de vooravond van de boottocht van Port Hardy door de Inside Passage naar Prince Rupert. Als het weer het toelaat willen we morgen naar het Cape Scott park via kleinere (logging) wegen.
Reizigersgroet,
Wim en Koen
Oversteek naar Vancouver Island
Hallo allemaal,
Hier het vervolg van onze reisimpressies.
Woensdag 24 augustus: vandaag een heel programma. Achter ons appartementje fietsen we het Stanley Park in en genieten van een rondje schiereiland. Een grote oase in de stad met vergezichten, een aquarium, zwembad en ander vertier. Dan wordt het spannend. Na rondvragen hebben we een ticket op het watervliegtuig naar Saltspring Island geboekt. De reguliere vluchten worden ‘opgevuld’ met dagjesmensen. De drijvers van de 9-persoons De Havilland Otter schieten door het water en het toestel stijgt op vanuit Vancouver haven. De groene paradijsjes van de Gulf eilanden glijden onder ons door voordat we licht stuiterend in de haven van Salt Spring eiland bij Ganges landen. We mogen overstappen op een De Havilland Beaver uit 1952 voor een korte vlucht naar Maple Bay waar Harold, onze piloot, iemand moet ophalen. Van de grote stad meteen in een afgelegen gemeenschap. Behendig laat hij het toestel uitdrijven en springt net op tijd op het ponton om de spring vast te maken. ’s Middags staan we wat beduusd weer in Vancouver haven.
Wat een verschillende werelden! Daar komt er nog één bij als de musical ‘The Book of Mormon’ zich aan ons ontvouwd. Een wens van Koen en in al in Nederland geboekt. Veel humor en ‘strong language’; de zaal ligt plat. In het programmaboekje een uitnodiging van de Mormonen om vooral het echte boek van Mormon te lezen!
Een rustiger reisdag! Auto ophalen en daarna met de ferry de oversteek naar Victoria, de zeer ‘Britse’ hoofdstad van British Columbia. Mooie vaart door een deel van de Gulf eilanden. Een avondwandeling en fish en chips bij een ‘shack’ in de haven. Neuzen in een geweldige boekhandel en boekjes over het Haida volk rijker.
Het Zuiden van Vancouver Island is druk, maar als we dichter bij ons einddoel Port Alberni komen dunt het verkeer uit, een verademing! Het plaatsje ligt aan het einde van de Alberni Inlet, een ‘fjord’ van de Pacific. Een diepzeehaven, groot geworden door o.a. houtverwerking en visserij. Port Alberni ligt prachtig tussen de bergen en de avondzon (28 graden) voegt een palet aan kleuren toe. Ons onderkomen blijkt een comfortabel ingericht woonhuis te zijn
Of het nu het piepkleine maritieme of spoormuseum is: iedereen is trots op de culturele en industriële monumenten. Port Alberni kreeg al snel een spoor- en bootverbindingen. Nadat de eeuwenoude bomen in de VS op waren is de westkust van Canada in enkele decennia gekapt Gelukkig zijn er parken opgericht en herstelt de natuur zich langzaam, hoewel bosbouw een belangrijke bron van inkomsten blijft. De machinist speelt kwistig met de stoomfluit. We stappen uit bij de McLean Mill: de enige houtzagerij op stoomkracht die over is. Gered door vrijwilligers. Het terrein ziet er uit zoals het in 1965 is achtergelaten. Tot die tijd hebben trein en zagerij op stoomkracht gewerkt. Toeristisch met ‘animeerjongens’, maar erg interessant.
In de middag een mooie wandeling langs de Stamp River. Bij de vistrap om de trekkende zalm langs de waterval te leiden is het druk met wachtende vissen.
Morgen verder naar de Westkust. Afwachten wat het weer gaat doen.
Reizigersgroet,
Wim en Koen
De volgende tijdszones:van Winnipeg naar Vancouver
Hallo allemaal,
Hier het vervolg van onze reisimpressies.
Winnipeg kende groeistuipen in het begin van de twintigste eeuw. Via de spoor- en waterverbindingen kwamen in korte tijd duizenden mensen naar dit centrum van de bonthandel. De stad heeft een liefhebbende hand nodig waarmee een uitstekend begin is gemaakt met de spectaculaire architectuur en indrukwekkende inhoud van het museum voor de mensenrechten en omgeving. Vanuit de zwarte geschiedenis van de Holocaust en genocide werkt de presentatie per verdieping steeds meer toe naar het handelen van personen en instituten ter verbetering van mensenrechten wereldwijd. Vooral de persoonlijke stellingnames met daaraan verbonden risico’s maken indruk.
Vanuit het museum lopen we de Red River over en belanden in de Franse wijk St Boniface. Op weg naar Edmonton schuiven we weer aan voor de warme lunch die door de keukencrew tevoorschijn wordt getoverd. Het personeel houdt het midden tussen correct netjes en leiding van een jeugdvereniging. Dat laatste is soms ook nodig om de regie strak in handen te houden.
Bij ontbijt, lunch en diner hebben we bijna altijd nieuwe tafelgenoten, vanwege de verschillende zittingen. Een koppel uit Tasmanië, zij Nederlandse, hij Engels, die al 50 jaar op het eiland wonen. Canadezen die hun eigen land verkennen. Amerikanen die een half jaar hun 50-jarige bruiloft vieren. Jong en oud die allemaal genieten van de romantiek van de treinreis. Tot Edmonton zien we de eindeloze graanvelden van de Wheatbelt van Canada. Overal in het landschap staan de grote silo’s. Weer moet de klok een uur terug. Prachtige vergezichten over de McLeod rivier. De spanning stijgt als de eerste bergen van de Rocky Mountains in zicht komen. Laaghangende volken maken alles nog woester. Een korte tussenstop in Jasper, centrum van de Canadese Rockies.
Spannend om de volgende ochtend het scherm omhoog te schuiven: de Fraser rivier in het eerste licht. Het spoor kronkelt langs de uitgeslepen bedding. Op maandag rijden we tegen elf uur het Pacific Central Station van Vancouver binnen. Met weemoed nemen we afscheid van de paar vierkante meter treincabine.
We betrekken een mooi appartementje voor drie dagen. Boodschappen en daarna slenteren over het Waterfront. Vancouver is prettig: een grote stad die toch vrij ontspannen aandoet. Een vergelijking met Sydney dringt zich in positieve zin op. In de avondzon nemen we de ferry naar Noord Vancouver en na een busrit wandelen we door het park rondom Lynn Canyon. Kaarsrechte Douglas fir en Red ceder bomen en de eerste waarschuwing voor beren. Een goede pizza in het dorpje Lynn Valley en daarna een lange reis terug, intussen is het koud geworden.
Een maritieme ochtend: het prachtige art deco Maritime Building en In het maritiem museum lopen we over de St Roch, het schip waarmee voor de eerste keer de Noordpassage door het Noordpoolgebied is gevaren. Een Eskimofamilie hielp overleven en navigeren. Ze sliepen in een tentje op het dek. Een andere uithoek van Vancouver: het terrein van de University of British Columbia is een dorp op zich. Doel is het Museum of Antropology. In het prachtige museum zien we totempalen en huizen van de Haida de oorspronkelijke bevolking van Haida Gwaii, waar we over een dag of 10 zullen zijn.
Reizigersgroet,
Wim en Koen